Groeicurve

Groeicurve

Om te weten of de lengte van een kind groot of klein is, moet je die vergelijken met de lengte van andere jongens of meisjes. Dit kan men doen door de lengte te tekenen op een “groeicurve”. Op die curve staat hoe groot kinderen zijn op een bepaalde leeftijd. Er bestaat een aparte curve voor jongens en meisjes. Om een groeicurve te maken worden voor elke leeftijd,100 jongens of meisjes van klein naar groot op een rij gezet.  Men meet dan de lengte van het 3de, 10de, 50ste, 90 ste en 97ste kind en die worden op de grafiek gezet. Voor jongens van 8 jaar is de derde kleinste 120 cm, de tiende 123 cm, de 50ste 130 cm, de 90ste 137 cm en de 97ste 140 cm.   Als je voor alle leeftijden de gelijkaardige punten met elkaar verbindt krijg je percentiellijnen:  bv de lijn die alle jongens die op de tiende plaats staan op elke leeftijd met elkaar verbindt is de 10 de percentiel.

Bij voorbeeld: een jongen van 125 cm staat in de rij  tussen de 10de en 50ste jongen. We zeggen dat de lengte ligt tussen de 10de en 50ste percentiel.

groeicurvenluitleg

Artsen gebruiken soms groeicurven die geen percentiellijnen hebben maar wel standaard deviatielijnen. De lengte van een kind wordt dan uitgedrukt in het aantal standaard afwijkingen dat die lengte boven of onder het gemiddelde ligt (SDS, standaard deviatie score).

Standaard deviatie score Komt ongeveer overeen met percentiel
-2.0 2.5
-1.0 16.5
0.0 50
+1.0 83.5
+2.0 97.5

De groeicurve die men gebruikt moet aangepast zijn aan de etnische achtergrond van het kind, het geslacht en de tijdsperiode.

Land van oorsprong

Het is duidelijk dat Japanners gemiddeld kleiner zijn dan de Nederlanders. Maar ook Marokkaanse en Turkse kinderen die in België geboren zijn en opgroeien zijn gemiddeld kleiner dan de autochtone Belgen. In de meeste landen, ook in België, zijn de mensen groter in het noorden  dan in het zuiden.

Geslacht

Volwassen mannen zijn 12-14 cm groter dan volwassen vrouwen.  Tot aan de puberteit is er weinig verschil in lengte tussen jongens en meisjes maar jongens maken een grotere groeispurt tijdens de puberteit. Er bestaan dus verschillende groeicurven voor jongens en meisjes.

Recente groeicurve

Tijdens de laatste 150 jaar was elke generatie gemiddeld groter dan de vorige ( soms tot 3 cm en meer)  en deze trend houdt in de meeste landen nog aan. In 1900 was de gemiddelde Belgische man 166 cm groot, in 2000 181 cm !

In België gebruiken we meestal de Vlaamse groeicurven als referentie. Ze zijn  op het internet te vinden op http://www.vub.ac.be/groeicurven/groeicurven.html.  Je kan  de Vlaamse groeicurven ook terugvinden in onze rubriek “brochures”.

Meisjes

groeicurve meisjes tussen 0 en 1 jaar

http://www.vub.ac.be/groeicurven/files/4-20050604-NP0-1F.pdf

groeicurve meisjes tussen 1 en 5  jaar

http://www.vub.ac.be/groeicurven/files/4-20050604-NP1-5F.pdf

groeicurve voor meisjes tussen 2 en 20 jaar

http://www.vub.ac.be/groeicurven/files/1-20050604-NP2-20F.pdf

 

Jongens

groeicurve voor jongens tussen 0 en 1 jaar

http://www.vub.ac.be/groeicurven/files/4-20050604-NP0-1M.pdf

groeicurve voor jongens tussen 1 en 5 jaar

http://www.vub.ac.be/groeicurven/files/4-20050604-NP1-5M.pdf

 groeicurve voor jongens tussen 2 en 20 jaar

http://www.vub.ac.be/groeicurven/files/1-20050604-NP2-20M.pdf

De curve “volgen”

De plaats van de lengte van een kind op de groeicurve is niet het enige wat telt.  Het is ook belangrijk om te kijken hoe die plaats verandert met de jaren. Een kind dat groot is en bij voorbeeld op de 90 ste plaats in de rij staat en een jaar slecht groeit zal plots op de 40 ste plaats staan. Alhoewel de lengte nog altijd binnen de lijntjes van de groeicurve valt, is deze groeistop natuurlijk niet normaal. Het is dus zeer belangrijk om de vroegere lengtegegevens ook te noteren en mee te brengen naar de  consultatie.

Voor de leeftijd van 2 jaar “zoeken” babies en peuters naar hun  percentiellijn (groeikanaal opzoeken). De lengte bij de geboorte is immers afhankelijk van veel factoren  ( eigenschappen van de moeder en de moederkoek) die niet onmiddellijk verband houden met het kind. Geleidelijk aan krijgt  de intrinsieke groeicapaciteit van het kind zelf de overhand en rond de 2 jaar  wordt duidelijker welke plaats in de groeicurve een kind zal innemen.

Tussen 2 en 9 jaar volgen de meeste kinderen min of meer dezelfde percentiellijn.

Vanaf 9-10 jaar zal de timing van de puberteit de groei sterk bepalen. De meeste kinderen die in puberteit gaan op de gemiddelde leeftijd, zullen de percentiellijnen ongeveer blijven volgen. Kinderen met een eerder vroege puberteit   kunnen plots sneller gaan groeien en naar hogere percentiellijnen verschuiven. Kinderen met een late puberteit zullen trager groeien dan hun leeftijdsgenoten en naar lagere percentiellijnen zakken  ( “afbuigen van de curve”). Zij halen dit later  in