Groei na de geboorte

postnatale groei - zithoogte - skeletleeftijd - voorspelling volwassen lengte

Hoe de lengte meten? 

Het is niet zo eenvoudig om de lengte juist te meten. Kinderen tussen 0 en 2 jaar worden liggend gemeten. Hiervoor zijn 2 personen nodig.  De eerste persoon houdt het hoofdje met beide handen vast en houdt het tegen de verticale wand van de meetlat die de 0 aangeeft.  De buitenste ooghoek en de uitwendige gehoorgang moeten zo veel mogelijk op een verticale lijn liggen. De tweede persoon strekt voorzichtig de beentjes en drukt de voetplaat tegen de voetzolen. Het is daarbij belangrijk dat de plaat niet alleen de tenen maar ook de hiel raakt.

Tussen 2 en 3 jaar worden kinderen best zowel liggend als staand gemeten. Men is immers groter liggend dan staand en als de meting liggend  ontbreekt, kan men  tot de conclusie kunnen komen dat een kind even “krimpt” na 2 jaar.  Groeicurven tonen dan ook een “knik” op de leeftijd van 2 jaar.

 

Groeisnelheid

Tijdens de eerste 3 maanden groeit een baby 3 cm per maand. Vanaf 3 maanden tot 1 jaar 2 cm per maand, en tussen 1 en 2 jaar wordt een kind  1 cm per maand langer.  Nadien vertraagt de groei gestaag: een 8 jarige  groeit slechts een halve cm per maand. Bij het begin van de puberteit, ergens tussen 9 en 14 jaar bij jongens en tussen 8 en 13 jaar bij meisjes, beginnen kinderen weer sneller te groeien, soms wel tot 1 cm per maand. Meisjes groeien tijdens de puberteit ongeveer 20 cm, jongens iets meer dan 30 cm. Vanaf een bepaalde  leeftijd groei je niet meer:  bij meisjes gemiddeld rond de 17 jaar, bij jongens rond 19 jaar.

De lengtetoename per jaar kan je aflezen van een groeisnelheidscurve. Deze curve toont hoeveel een kind op 1 jaar tijd groeit  rekening houdend met zijn leeftijd. Kinderen die kleine ouders hebben, groeien meestal minder snel dan kinderen met grote ouders.

Vanaf de leeftijd van 2 jaar wordt een kind “staand” gemeten, tegen een harde achtergrond (muur), zonder schoenen en kousen. Om te zorgen dat een kind goed recht staat is het belangrijk dat de hielen, de billen en het achterhoofd de muur raken. De nek wordt gestrekt door licht onder de onderkaak te drukken en de kin naar beneden te roteren (of draaien ?) zodat de buitenste ooghoek en de uitwendige gehoorgang zo goed mogelijk in een horizontaal vlak liggen. De meetplank, die een rechte hoek maakt met de muur, wordt dan op de kruin geschoven. Deze meting wordt vaak enkele keren herhaald.

Dokters hebben  speciale toestellen om de lengte tot op enkele mm juist te meten.  Thuis kan je de lengte van je kind meten door een boek met harde  kaft of een snijplank uit de keuken horizontaal op het hoofd te plaatsen en met een potlood een streepje te trekken op de muur.  Nadien kan je dan met een metalen rolmeter de afstand van het streepje tot op de grond meten. Herhaal deze meting 3 keer en neem de middelste waarde.

Definitie van groot en klein

Een kind is “groot” wanneer zijn lengte boven de 2 standaardafwijkingen boven het gemiddelde ligt (ongeveer de 97ste percentiel) voor zijn leeftijd en geslacht en “klein” wanneer zijn lengte op de curve onder de -2 standaardafwijkingen onder het gemiddelde ligt (ongeveer de 3de percentiel).

Deze lijnen (97ste percentiel  oranjerood en 3de percentiel blauw) zijn aangegeven op de onderstaande groeicurven. Wanneer een meisje de 3de percentiel volgt tot de leeftijd van 20 jaar wordt ze 155 cm groot.  De 97ste percentiel leidt tot een lengte van 178 cm.De gemiddelde lengte van volwassen vrouwen is 166.7 cm

Volwassen mannen zijn gemiddeld 180.7 cm. De 97ste percentiel voor jongens komt uit op een lengte van 193 cm; de 3de percentiel op 168.0 cm als volwassene.

Romplengte en beenlengte

Dokters willen soms niet alleen de totale lengte van een kind meten maar ook de lengte van de benen en van de romp plus hoofd afzonderlijk. Kinderen worden dan zittend gemeten ( “zithoogte”).  Als je daar de hoogte van het stoeltje van af trekt, krijg je de lengte van romp plus hoofd.  Als je van de totale lengte, de lengte van romp plus hoofd aftrekt, hou je de beenlengte over.

Bij jonge kinderen kan men de “zithoogte” meten door het meetplankje tegen de billen te schuiven in plaats van tegen de voetzolen.

romplengte baby

Bij pasgeborenen is de beenlengte ongeveer een derde van de totale lengte; bij volwassenen ongeveer de helft.  Problemen in de groeischijven van de lange beenderen zullen dus vooral in de beenlengte (en armlengte) zichtbaar worden. De benen lijken eerder kort, de verhouding tussen bovenlichaam en benen is niet normaal. Er bestaan ook curven voor de verhouding tussen beenlengte en totale lengte.

 

Beenderen groeien in de “groeischijf”

groeischijfskelet

De groeischijven bestaan uit verschillende lagen:  een laag van “stamcellen”(germinatieve laag),  een laag van delende cellen (prolifererende laag) , een laag van groeiende cellen (hypertrofische laag) en een laag waar de kraakbeencellen afsterven en vervangen worden door botcellen (degeneratieve laag).  Tijdens de kindertijd en de adolescentie  wordt er dus steeds meer bot aangemaakt in het middelste deel van een bot en de groeischijf “verschuift” verder weg van het midden.  Op het einde van de puberteit worden er steeds minder kraakbeencellen bijgemaakt en worden er steeds meer kraakbeencellen vervangen door botcellen.  De groeischijf wordt dan ook steeds dunner totdat ze volledig verdwijnt.

De botten zullen dus naargelang de leeftijd constant van vorm veranderen en men kan die ontwikkeling volgen op een radiografie. Deze ontwikkeling wordt uitgedrukt in een getal: de “skeletleeftijd” of “botleeftijd”.

histologie-groeischijfnl

Factoren die de groei beïnvloeden

Groei is het resultaat van de interactie tussen drie  factoren:  erfelijkheid, voeding/stofwisseling en hormonen. De groeisnelheid is een goede barometer voor de algemene gezondheidstoestand van een kind. Chronische ziekten van lever, hart, nieren, longen en andere organen hebben vaak een weerslag op de groei.

Wat de voeding betreft is niet alleen het aantal  caloriën belangrijk maar ook de aanvoer van voldoende eiwitten, vetzuren en mineralen zoals calcium, fosfor en zink en vitaminen ( zoals vitamine D).

Het belang van de erfelijkheid wordt geïllustreerd door de invloed van de ouderlengte op de lengte van het kind en het feit dat identieke tweelingen even groot zijn, op één of twee cm na.

Als men de lengte van beide ouders kent, kan men ongeveer schatten hoe groot hun kinderen kunnen worden.  Men noemt dit de doellengte.  Er bestaan verschillende formules om ze te berekenen.  De eenvoudigste manier is om het gemiddelde van moeder en vader te nemen met een correctie voor het geslacht. Er is  13 cm verschil tussen mannen en vrouwen. Voor meisjes moet men dus 13 cm aftrekken van de lengte van vader.  Voor jongens telt men 13 cm bij bij de lengte van moeder.

Doellengte voor de meisjes = (lengte vader -13 + lengte moeder )/2

Doellengte voor de jongens = (lengte vader + lengte moeder +13)/2

Niet alle kinderen van dezelfde ouders worden even groot.  Er is dus een spreiding rond deze doellengte van 8.5 cm naar onder en 8.5 cm naar boven.  Concreet wil dit zeggen dat wanneer 2 ouders 100 dochters zouden krijgen , 95 % van die meisjes een lengte zullen hebben tussen de doellengte + 8.5 cm en de doellengte – 8.5 cm.

Een voorbeeld om het duidelijk te maken:
Indien mama 168 cm groot is en papa  178 cm, dan is de doellengte voor een jongen:
(168 +13 + 178)/2 = 179.5 cm . Als men rekening houdt met een spreiding van 8.5 cm wil dit zeggen tussen 171 cm en 188 cm. Deze methode is dus niet zo precies.

Heel wat hormonen hebben een effect op de groei zoals groeihormoon, uiteraard, maar ook  schildklierhormoon, cortisol, insuline, mannelijk en vrouwelijk hormoon. Hun rol wordt in een ander hoofdstuk uitgelegd.

De snelle groei tijdens het eerste levensjaar wordt vooral gedreven door voeding en schildklierhormoon. Nadien wordt ook groeihormoon belangrijk. De groeispurt tijdens de puberteit is vooral afhankelijk van de stijging van de geslachtshormonen (mannelijk en vrouwelijk hormoon) die op hun beurt ook het groeihormoon doen stijgen. Wanneer de concentratie vrouwelijk hormoon ( ook bij jongens !) boven een zekere drempel uitstijgt, worden er in de groeischijf steeds meer kraakbeencellen vervangen door botcellen en dit tot de groeischijf volledig verdwijnt. Het middenstuk en de uiteinden van het bot zijn dan aan elkaar gegroeid en het bot kan dan niet meer in de lengte groeien.

Het begrip “skeletleeftijd”

Elk kind heeft naast zijn leeftijd op de kalender ook een “botleeftijd” of “skeletleeftijd”. Deze leeftijd geeft de ontwikkelingsfase van het skelet weer. De skeletleeftijd wordt typisch afgelezen op een röntgenfoto van de hand. De skeletleeftijd is jong als er nog veel groeikraakbeen in de verschillende beenderen aanwezig is.  Van zodra  het groeikraakbeen verdwenen is,  kan dit bot niet meer groeien.  Als men op de radiografie ziet dat het groeikraakbeen in de beentjes van de hand en de pols verdwenen is,  is een persoon uitgegroeid. Hij/zij heeft dan zijn/haar eindlengte bereikt. Dit gebeurt bij meisjes op een skeletleeftijd van 17 jaar en bij jongens op een skeletleeftijd van 19 jaar.

De “skeletleeftijd” kan (sterk) verschillend zijn van de kalenderleeftijd.  De lengtegroei, de tandontwikkeling en de puberteitsontwikkeling volgen de skeletleeftijd.  Dit heeft belangrijke gevolgen voor de beoordeling van de lengte van een kind.  De lengte van een jongen van 10 jaar met een skeletleeftijd van 8 jaar moet eigenlijk vergeleken worden met de lengte van jongens van 8 jaar. Hij zal immers 2 jaar langer blijven groeien dan jongens met een skeletleeftijd van 10 jaar. Ook de puberteitsontwikkeling moet steeds beoordeeld worden aan de hand van de skeletleeftijd en niet van de kalenderleeftijd.

Praktisch gezien wordt een röntgenfoto van de niet dominante hand (meestal linker hand) genomen en  wordt die vergeleken met een reeks van standaard foto’s waarvan de skeletleeftijd gekend is. Deze standaardfoto’s zijn verzameld in de beroemde atlas van de heren Greulich en Pyle (Greulich WW, 1959) ( zie kader).

handenskeletrijpingv2

Compilatie van röntgenfoto’s van handen van kinderen van verschillende leeftijden. Op de bovenste rij staan de meisjes, op de onderste de jongens.  Bemerk dat bij meisjes de ontwikkeling van de botjes sneller gaat dan bij jongens. Dit komt omdat het vrouwelijk hormoon hier een belangrijke rol in speelt.  Meisjes zullen dan ook sneller stoppen met groeien.

De lengte als volwassene voorspellen

Als men de skeletleeftijd van een kind kent, kan men, met een zekere foutmarge , zijn toekomstige lengte als volwassene berekenen.  Er bestaan  tabellen van Bayley en Pinneau, die voor elke skeletleeftijd weergeven hoeveel procent van de volwassen lengte al bereikt is.  Omdat dit in procenten is weergegeven maakt het niet uit of je een (normaal) kleine lengte dan wel een (normaal) grote lengte hebt.

Een voorbeeld: Een jongen met een skeletleeftijd van 11 jaar, heeft 80.4 % van zijn lengte als volwssene bereikt.  Als hij nu 148 cm groot is, is de voorspelling van zijn volwassen lengte = 148/0.804 = 184 cm

De onderstaande tabel geeft een kort overzicht van de tabellen.  De originele tabellen zijn veel meer gedetailleerd en maken ook een onderscheid tussen kinderen waarvan de skeletleeftijd overeenkomt met de kalenderleeftijd en kinderen waarvan de skeletleeftijd jonger of ouder is dan hun kalenderleeftijd.

figuren postnatale groeinl

Op de tabel kan je aflezen dat meisjes met een skeletleeftijd van 13.5 jaar al 97.4 % van hun lengte als volwassene bereikt hebben.  Dit is ook de skeletleeftijd waarop gemiddeld de eerste maandstonden verschijnen.  Vandaar de volkswijsheid dat meisjes (bijna) niet meer groeien als de maandstonden verschijnen.